Deel 32. Noajegen, coupeuzen en modisten...

Maatkledij stond hoger aangeschreven dan “opgemaakte kleren” en was doorgaans voordeliger omdat heel wat huismoeders nog zelf kleren vervaardigden. Wie zelf niet kon naaien, richtte zich tot iemand die de stiel onder de knie had. En het ging goed in de textielsector …

Voor de heren was er de professionele kleermaker. Voor de aankoop van de stof waren er twee mogelijkheden: men koos op staal bij de kleermaker die bij zijn leverancier de stof bestelde of men kocht zelf de stof in een “stoffewinkel”. “Menère” Dewulf, een lokale kleermaker, woonde enkele huizen verderop in de Nieuwlandstraat. Regelmatig kwam ook een kleermaker uit Gistel bij ons langs. Hij nam de maat en een week later kwam hij een eerste keer langs om te “passen”.

Voor de dames was er de “noajege” (naaister) die meestal zelf geen stofjes verkocht. Heel wat dames - waaronder moeder – die zelf naaiden, hadden op school nooit echt lessen confectie gekregen en hadden problemen met het tekenen van patronen. Ze kochten een patroon op papier of deden beroep op een “coupeuse”. Deze dame naaide zelf niet maar knipte wel de stof op maat. In “mercerie-winkeltjes” vond de huisvrouw wat ze aan “toebehoorten” nodig had: knopen, garen, linten, schouderkussens, zweetlappen, enz. Het huis Maurus aan de Torhoutsesteenweg was hiervoor bekend. Daar werd je bediend door twee (of drie?) zussen met lelijke, uitgroeiende tanden. Ze waren ook depothouder voor het nieuwkuisbedrijf Koentjens.

Dames waren pas chic gekleed als ze een hoed op hadden. Heel wat vrouwen droegen een hoofddeksel of een “foulard” om naar de kerk te gaan. Dit is duidelijk geen uitvinding van moslima’s! Een hoed kocht men bij een “modiste”, een beroepsactiviteit die nog goed aanwezig was in het stadsbeeld. Modiste “Claire” aan de Torhoutsesteenweg was een gekend huis. Een ander modiste had haar winkel aan de “boulevard”, naast café Rodenbach. Een derde had haar bedrijvigheid aan de Nieuwpoortsesteenweg, naast de H. Hartlaan. Eén van die modistes had ooit tegen mijn grootmoeder gezegd dat ze een“klein kopje” had. Dit terwijl andere klanten stonden te wachten en meeluisterden. Memé was zo verontwaardigd dat ze er nadien geen voet meer wilde binnen zetten.

Moeder maakte ook mijn kleren. Uit een versleten kostuum van vader knipte ze mijn eerste communiepakje. Ook naaide ze en verstelde ze de “schabben” (stofjas) die ik op de schoolbanken versleet. De “schabbe” was vervaardigd uit een antracietkleurige of uit een bleek bruine stof. Praktisch iedereen (ook de “meesters”!) droeg een “schabbe”. Die werd regelmatig gewassen, gesteven en in plooien gestreken. De stofjas was heel praktisch en beschermde onze kledij tegen inktvlekken (we schreven nog met een “pennestok”!). Moeder beschikte over een verouderde naaimachine van het merk Singer die ze met een trapper aandreef. Het was een familiestuk dat dateerde van het einde van de 19de eeuw. Via het serienummer kwamen we later te weet dat het toestel in 1896 in Schotland was vervaardigd. Een naaimachine werd aanzien als een teken van welstand en kreeg een ereplaats in de huiskamer. Moeder vervaardigde mijn broeken tot ik in het hoger middelbaar zat. Ze voorzag ze van nogal brede pijpen. Toen de mode plots overschakelde naar smalle pijpen, wilde ik niet langer die "selfmade" broeken dragen omdat één of twee jongens uit de klas ermee lachten. Van toen af kocht ma mijn broeken “opgemaakt” bij Marvan, vooraan in de Kapellestraat. Moeder gaf echter haar naaiactiviteit niet op en bleef verder broeken stikken voor vader die minder gevoelig was voor de grillen van de mode ...

Mannen, van wie verwacht werd dat ze elke dag gingen werken met “col en plastron” en er dus elke dag even netjes moesten uitzien, droegen een hemd met vervangbare boord (“faux col”). Ze droegen enkele dagen hetzelfde hemd maar veranderden 's morgens van “col” die met een “col-knop” achteraan aan het hemd werd bevestigd.

Klik hier voor het vervolg

(c) John Aspeslagh. Gebruik van deze tekst toegestaan mits bronvermelding en kennisgeving aan Archief.