7.5 De plannen

Ter afsluiting behandelen we nog even kort enkele plannen, om op die manier bepaalde specifieke topografische elementen aan te duiden.

Het eerste plan kwam reeds aan bod bij de behandeling van de spoorwegen : het plan uit 1839, opgesteld door J. De Brock van het Instituut Ph. Vandermaelen. Vooral de legende van het plan is zéér interessant : naast de aanduiding van bijna alle straatnamen, werden ook alle belangrijke gebouwen aangeduid. Op het fragment (KP/H0088) zien we onder meer de volgende elementen :

  • de koninklijke residentie in de Langestraat waar in 1850 koningin Louise-Marie stierf (nr. 1, maar op het plan aangegeven met I)
  • het stadhuis met het drukbezochte casino (nr. 2)
  • de burgerlijke en militaire gevangenis, aan de oostzijde van het stadhuis, gelegen in de Grote Kerkstraat (nr. 14)
  • de grote kerk (nr. 6)­
  • de Kapucijnenkerk (nr. 7)
  • de protestantse kerk in de Witte Nonnenstraat (nr. 8)
    Sinds 1781 (het jaar van het Tolerantie-edict en van het vrijhavenstatuut), was er namelijk een grote Engelse aanwezigheid in de stad geweest (uitgezonderd tijdens de Franse overheersing)[1]. Onder het Oostenrijks bewind was hun (geïmproviseerde) tempel gelegen in de Sint-Franciscusstraat, terwijl er in de periode 1815-1830 gebruik gemaakt werd van de kapel van het Witte Nonnenklooster. Ook na de Belgische onafhankelijkheid bleef dit zo tot het midden van de jaren '60 van de 20ste eeuw, wanneer de tempel naar de Langestraat verhuisde, waar hij nu nog steeds gevestigd is[2]
  • het civiele hospitaal, gelegen tussen de Weststraat (de huidige Adolf Buylstraat) en de Sint-Sebastiaanstraat (nr. 9)
  • het groot militair hospitaal in het westelijk deel van de Hazegraswijk (nr. 50)
  • het Arsenaal (nr. 52), ten zuiden van het eerste bassin.
    In feite gaat de ligging hiervan terug op 1706 : toen werd immers het Arsenaal, gelegen op de noordelijke hoek van het Wapenplein en de Kapucijnenstraat, verwoest en op de plannen uit de 18de eeuw (KP/G0030 - KP/H0081), zagen we dat het Arsenaal zich toen al in die omgeving bevond (toen nog wel buiten de stadswallen, aangezien de uitbreiding naar het zuiden er pas in 1782 kwam)
  • de marktpleinen : de Groentenmarkt (nr. 57), de oude (nr. 58) en de nieuwe Vismarkt (nr. 16), de "Zwienemarkt" (nr. 59), de Kalversmarkt (nr. 60) en de "Kolenmarkt" (nr. 61).
    De oude Vismarkt lag in de Sint-Franciscustraat (Y), op de kruising met de Bonen- (a) en Kadzandstraat (b). De gaanderij en het mijnbureel werden in 1834 afgebroken en vervangen door nieuwe infrastructuur op de nieuwe Vismarkt, het huidige Mijnplein[3]. A. Sleeks laat echter ook de Ooststraat (z) op de oude Vismarkt uitkomen en vermeldt de "Zwienemarkt" als zijnde een synoniem[4], een gegeven dat we ook terugvonden bij O. Vilain[5]. Deze Zwijnenmarkt (nr. 59) lag in 1839 echter aan de andere kant van de stad ! Het was de verbinding tussen de Langestraat (m) en de noordwestelijke stadswallen. Maar ca. 1890 is men overgestapt van de "oude" Zwijnenmarkt naar het Mijnplein om daar dan de markt van het kleinvee te houden. De vismijn was er immers in 1879 afgebroken. In 1903 ten slotte kwam er dan een nieuw politiereglement, dat voor de reorganisatie van de markten zorgde. Hierdoor verhuisde de "Zwienemarkt" naar de oude Vismarkt[6] en dat is blijven leven bij de oudere Oostendenaars en zo overgeleverd aan A. Sleeks en O. Vilain.

    De Kalversmarkt is ook één van die overblijfselen uit vervlogen tijden : reeds op de plannen uit de 18de eeuw werd het deel van de Kapellestraat tussen het Wapenplein en de noordelijke stadswallen (de huidige Vlaanderenstraat) als veemarkt aangegeven (zie KP/H0099 en KP/H0081).

    De Kolenmarkt (nr. 61) ten slotte lag op de kruising van de Babylonestraat (bestaat niet meer) met de Korte Peperstraat (de huidige Aartshertoginnestraat). Naast deze voorbeelden werden er nog verscheidene hotels, paviljoenen, magazijnen, e.d. aangeduid. Het spreekt voor zich dat dit plan een onschatbare waarde bezit voor de kennis van de topografie van de stad in de periode vóór de wijziging van de straatnamen in 1858 en vóór de ontmanteling van de vestingen vanaf 1865.

 

Het tweede plan (KP/D0027) werd uitgegeven door boekhandel Claassen. Het plan is niet gedateerd, maar geeft de situatie weer van vóór 1865 (de vestingen zijn nog aangegeven) en van ná 1845 (de "Cercle du Phare" is wel aangegeven). Als we dit plan met het vorige vergelijken, zien we dat er in die korte tijdspanne van enkele jaren toch veel veranderend is : de "Kolenmarkt" is bebouwd en de Cirkelstraat werd getrokken tussen de Kapucijnenstraat en het Mijnplein (1842). Het internationale karakter van de stad wordt bevestigd door de vele consulaten die er gevestigd waren (zie legende nrs. 6-12). Wanneer we de havengeul bekijken, valt de smalle vorm onmiddellijk op. Men had het weststaketsel namelijk oostwaarts verplaatst om op die manier de havengeul beter te kunnen spuien. Toch zijn er ook in dit (voor het overige zeer correcte) plan een paar schoonheidsfoutjes geslopen bij de naamgeving van de straten : zowel het Apestraatje (tussen het Wapenplein en de Kapucijnenstraat) als de Brabantstraat (tussen het Wapenplein en de Noordstraat) zijn immers vermeld, terwijl de tweede naam eigenlijk de nieuwe naam was voor het Apestraatje[7]. Ook de huidige Ooststraat (die de volledige stad doorkruiste van west naar oost) werd op dit plan Oostmolenstraat genoemd, terwijl enkel het gedeelte tussen de Kaaistraat en de Visserskaai die naam droeg. Het deel tussen de westelijke wallen en de Kapellestraat heette de Sulferstokstraat, terwijl het middenstuk (tussen de Kapellestraat en de Kaaistraat) de Zwarte Nonnenstraat heette. Eigenlijk heeft de auteur van het plan twee situaties vermengd : in 1858 werd er namelijk een grote naamsverandering doorgevoerd (vaak ten koste van heel leuke en pittoreske straatnamen) en de auteur heeft nu eens wel en dan weer niet de nieuwe namen gebruikt. Misschien zou men geneigd zijn hieruit af te leiden dat dit plan ca. 1858 moet opgesteld zijn, maar het lijkt ons waarschijnlijker dat die naamveranderingen uit 1858 op een ouder plan werden ingevuld. Op het plan werd de Cirkelstraat immers nog niet doorgetrokken naar de Schippersstraat en dit gebeurde in 1854[8]. Zo werd de Sint-Paulusstraat wel aangegeven en dit is een nieuwe naam ter vervanging van de volgende straten (van west naar oost) : de Einde van de Wereldstraat, de Buitenhofstraat, de Kleine Kerkstraat en de Leugenaarsstraat[9]. Ook de Vlaanderenstraat werd reeds aangegeven, ter vervanging van de Kattestraat (tussen het Wapenplein en de Langestraat) en de Kalversmarkt (van de Langestraat tot aan de zeedijk)[10]. Daarentegen werd de Keernemelkstraat wel nog aangegeven en dit was eigenlijk de oude naam voor het deel van de huidige Christinastraat tussen de Langestraat en de Jozef-II-straat (op het plan nog "Rue Saint Joseph" genoemd)[11].

Het eerste fragment van het plan uit 1878 (afb. 90) toont ons de eerste havenverbeteringen : de Leopoldsluis en de bijbehorende spuikom. Leopold II had zich immers reeds vóór zijn regeerperiode het lot van Oostende aangetrokken : in 1857 pleitte hij, toen nog als Hertog van Brabant, in de senaat om Oostende uit te bouwen tot Belgische haven nummer één. Twee jaar later werden zijn woorden in daden omgezet : de Leopoldsluis werd aangelegd als afsluiting voor het nieuw aangelegde spuidok (om de verzanding van de havengeul tegen te gaan). Dit bleek echter niet de verwachte resultaten te geven en er moest overgegaan worden tot baggerwerken (vanaf 1880)[12]. In de jaren negentig van de 19de eeuw en in het eerste decennium van de 20ste eeuw, werd de haven volledig verbouwd (zie hoger), maar het tweede fragment (afb. 91) toont nog de oude situatie.

Het laatste plan dat we bespreken, is het prachtige plan KP/F0053. De situatie die weergegeven wordt, is die uit het begin van de 20ste eeuw, waarschijnlijk net ná de bouw van de nieuwe Sint-Petrus en -Pauluskerk (1905-1907)[13]. Deze werd opgetrokken, nadat een grote brand de vorige kerk verwoest had (1896)[14]. De toren van die oude kerk is ook op het plan afgebeeld en wordt omwille van zijn vreemde vorm de "Peperbusse" genoemd. Door de belangrijkste gebouwen in scheve parallelprojectie te plaatsen, wordt het gemakkelijker om zich te oriënteren op het plan, maar men moet natuurlijk rekening houden met de vertekening die hierdoor ontstaat : de straten rondom de gebouwen moeten breder worden uitgetekend om op die manier ook de straten die zich achter de gebouwen bevinden in kaart te brengen. Toch is dit plan, dat vooral esthetische kwaliteiten heeft, vrij correct uitgewerkt.

 



[1] Bochart vermeldde ze ook bij de bevolkingscijfers in 1859.

[2] J. DE SMET. La Culte Protestante à Ostende en 1784 - Annales de la Société d'Émulation de Bruges, dl. LXXX, 1937, p. 146-150 ; J.B. DREESEN. De Engelse kerk te Oostende - De Plate, 1983, p. 274-275.

[3] De geschiedenis van het Mijnplein werd uitvoerig beschreven door D. FARASYN. Het Mijnplein te Oostende - Ostendiana, III, 1978, p. 41-60.

[4] A. SLEEKS. Oude straten en gebouwen, p. 105.

[5] O. VILAIN. Plaatsaanduidingen te Oostende in de volksmond - Ostendiana, I, 1972, p. 89.

[6] D. FARASYN. Het Mijnplein, p. 56.

[7] A. SLEEKS. Oude straten en gebouwen, p. 55.

[8] D. FARASYN. Het Mijnplein te Oostende, p. 48.

[9] Allemaal te zien op hierboven besproken plan (KP/G0077), respectievelijk voorgesteld door de letters P, L, M en N.

[10] Op het plan uit 1839 (KP/G0077) aangeduid met de letter l en het cijfer 60.

[11] Voor meer informatie over dit toch wel interessante onderwerp, verwijzen we naar de volgende werken en artikels : A. SLEEKS. Oude Oostendse straten en gebouwen. Oostende 1960 ; C. LOONTIENS. Toponymie de la ville et de l'arrondissement Ostende. Ostende 1931 ; O. VILAIN en S. IPPEL. Oostendse straatnamen gewijzigd in de 19e en 20e eeuw - De Plate, bijlage bij 1977 en de aanvullingen en verbeteringen door D. FARASYN - De Plate, 1978, p. 50-56, 78-79.

[12] R. VERCAUTEREN. Ostende à travers les siècles - Industrie, 1964, p. 695.

[13] Voor meer informatie, zie C. LOONTIENS. Les monuments et les édifices remarquables d'Ostende. 1930, 6p. (overdruk uit Bulletin de l'Union Civique Belge, janvier 1930, n°1).

[14] Voor meer informatie, zie J. DE SMET. De grote kerkbrand van Oostende 14 augustus 1896 - Biekorf, LIX, 1958, p. 161-165.


Klik hier om verder te lezen.