1.6 Demografie
Vooraleer we verdergaan met het oudste cartografische materiaal (16de eeuw), kunnen we eerst nog de (schaarse) demografische informatie uit deze eerste eeuwen van de stad wat nader bekijken. Het spreekt voor zich dat we uit de vroegste eeuwen geen gegevens hebben, maar we durven toch met een hoge graad van zekerheid stellen dat Oostende-Testrep een zeer klein vissersgehucht was met een dito bevolking. En dit zou gedurende enkele eeuwen onveranderd gebleven zijn, wat blijkt uit het Transport dat in 1408 in Oudenburg aangepast werd, waarin Oostende (2s. 6d.) een veel kleiner aandeel had dan b.v. Nieuwpoort (14 s.). En toch was dit aandeel reeds gestegen van 18 penningen naar 30 penningen op de totale som van 100 pond ! Een gegeven dat overigens voor teleurstelling zorgde bij de burgemeester van Oostende, die naar Oudenburg afgereisd was om de aandacht te vestigen op zijn stad, geteisterd door de vele overstromingen en derhalve voortdurend in geldnood[1].
Voor het jaar 1411 is er een zettingslijst bewaard gebleven : hierin werden 582 personen met een zeker vermogen opgesomd. Hiervan woonden er 495 in de oude en slechts 87 in de nieuwe stad. Vlietinck vermenigvuldigde dit met een quotiënt 4,5 (omdat hij deze personen als gezinshoofden beschouwde) en komt zo uit op 2619 inwoners (zonder de 6 geestelijken)[2]. J. Mertens berekende voor hetzelfde jaar een totaal aantal inwoners van 2227, maar hij nam dan ook de 495 haarden uit de oude stad als het totaal aantal haarden[3] ! Ook G. G. Dept maakte dezelfde fout in zijn artikel over de oudste rekening van de stad[4].
In 1469 werd er opnieuw een telling van huizen gedaan en voor Oostende kwam J. De Smet op een aantal van 495 haarden, wat eigenlijk een daling betekend zou hebben (maar hij heeft waarschijnlijk dezelfde fout gemaakt, cf. "Ostende avec l'échevinage : 495, dont 89 foyers pauvres et 7 maisons vides")[5].
In verband met de 16de eeuw is er (opnieuw) onenigheid tussen de verschillende auteurs, door E. Vlietinck aangehaald : H. Van Haestens spreekt van 3000 huisgezinnen, terwijl C. de Bonours het had over 3000 vissers, m.a.w. een 12000-tal mensen. Vlietinck vond dit echter overdreven en gewaagde van 3000 inwoners. Maar in een Duits journaal, dat het fameuze beleg behandelde, werd beweerd dat het inwonersaantal sterk boven de 3000 lag. Aan de hand van een belastingslijst voor het jaar 1533, meende Vlietinck te mogen besluiten dat er toen ongeveer 3700 inwoners moeten geweest zijn[6]. A. Sleeks baseerde zich op dezelfde bron uit 1533, waarin er 1237 cijnsplichtige haardvuren en 472 eigenaars vermeld staan, maar verkreeg een resultaat van ongeveer 4000 inwoners[7]. Ook J. Mertens stelde een maximum van 3500 tot 4000 inwoners voorop[8].
Hieruit blijkt nog maar eens hoe moeilijk het soms is om aan de hand van indirecte bronnen een bevolkingsaantal op een stad te kleven. Toch kunnen we besluiten met de vaststelling dat de meeste auteurs het eens zijn met een Oostendse bevolking in 1533 van een 3000 à 4000 inwoners. In hoofdstuk vier, waarin we de situatie van ná het beleg bespreken, komen we terug op het demografische aspect.
[1] A. ZOETE. Handelingen van de Leden en van de Staten van Vlaanderen (1405-1419), deel I, Brussel, 1981, p. 318-319.
[2] E. VLIETINCK. Het oude Oostende, p. 125 ; de zettingslijst is te vinden op het einde van de rekening van het jaar 1411 in : ARA, Fonds Rekenkamer, nr. 37.247.
[3] J. MERTENS. Het haardgeld te Oostende in 1533, haar inwoners en hun sociale stratificatie - Ostendiana, II, 1975, p. 39-40.
[4] G.G. DEPT. De oudste rekening van Oostende (1403-1404) - Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis « Société d'Emulation » te Brugge, 75, 1932, p. 182.
[5] J. DE SMET. Het oude Oostende. Anno 1469 - Biekorf, 42, 1936, p. 238-241 ; ID. Le dénombrement des foyers en Flandre en 1469 - Bulletin van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, XCIX, 1935, p. 145.
[6] E. VLIETINCK. Het oude Oostende, p. 125.
[7] A. SLEEKS. Oude Oostendse straten en gebouwen, p. 26.
[8] J. MERTENS. Het haardgeld te Oostende in 1533, p. 40.