1.4 De 15de eeuw : de bouw van de haven en de verdere ontplooiing van de stad
Het is vooral in deze eeuw dat Oostende zich ontpopt van de rups -het vissersdorp- tot de prachtige vlinder -de havenstad- die in latere tijden sterk begeerd zal worden door heel wat machthebbers. Het mag dan ook geen wonder heten dat deze voorspoed heel wat afgunst zal opwekken bij rechtstreekse concurrenten zoals Nieuwpoort, Damme en Sluis (zie verder).
Vanaf dit tijdstip (1403-1404) hebben we ook stadsrekeningen ter beschikking[1]. De rekeningen van Oostende zijn opgesteld zoals de rekeningen van tal van andere steden : eerst werden de inkomsten vermeld, daarna de uitgaven en ten slotte werd er een balans opgemaakt van het besproken jaar. De meeste items van de rekening komen ook voor in andere stadsrekeningen, maar enkele uitgavenposten zijn specifiek voor een kleine kuststad als Oostende. Zo zijn er de kosten van de dijkwerken, kosten van stro, "messe" (afval om putten en gaten mee op te vullen) en "risen" (bundels rijshout), kosten door de vele straatwerken (het nieuwe stadsdeel lag immers volledig in de duinen !), enz...[2] En hoewel deze rekeningen veel informatie bevatten, zijn de topografische gegevens niet altijd direct bruikbaar : er zijn immers enkele specifieke probleempjes. Zo worden de plaatsen van dijk- en straatwerken bijna altijd gesitueerd aan de hand van woningen van bepaalde personen, die echter niet kunnen gelokaliseerd worden. Twee voorbeelden uit de eerste rekening ter verduidelijking : "Item den derden dagh in Septembre so was bestid den dyc te bredene van Clais Pendels wedewe stalle tot an Pieter Clickaerts scuere een roede en een vierendeel breet..." en "Item den andren dagh in Octobre so was bestid de strate te hoghene ende te bredene van Pieter Clickaerts oostwaerd gaende."[3].
Reeds in 1401 werd er overgegaan tot de begrenzing van de nieuwe markt en het uittekenen van het stratenplan van het nieuwe stadsgedeelte, de zgn. "nieuwe stad". In de akte die in het charterboek[4] bewaard is gebleven, lezen we het verslag van de bijeenkomsten. Naast de financiële bepalingen, o.a. over de vergoeding die de stad uitkeerde aan de eigenaars van de onteigende grond, werd er ook verteld hoe de baljuw de twee eerste straten heeft "gebannen". De straten werden enerzijds de "Hoochstrate" of "hoghe strate" en anderzijds de "Oostrate" of "ooststrate" genoemd. Ook de exacte ligging van de straten werd uitvoerig beschreven : de eerstgenoemde begon aan de nieuwe dijk (dit is de dijk door het Brugse Vrije aangelegd in 1390) en liep zuidwaarts tot aan de zuiddijk, een vrije heerweg. Zowel A. Sleeks[5] als V. Fris[6] lieten -met de nodige voorzichtigheid- deze straat voor het grootste deel met de huidige Kapellestraat en Vlaanderenstraat samenvallen. De tweede straat, de Ooststraat, liep eveneens van de nieuwe dijk tot aan de zuiddijk, maar lag in het oostelijk deel van de stad[7]. V. Fris liet deze straat met de huidige Kaai- en Kapucijnenstraat samenvallen, terwijl A. Sleeks de huidige Schipperstraat vermeldde. Hij had deze informatie waarschijnlijk bij E. Vlietinck gehaald, die zich baseerde op het register van de schepenkamer, waarin het volgende geschreven staat : "jn de Ooststraete, jeghenwoordelick genaempt de Schipperstrate..."[8]. Ook J.B. Dreesen, die zich o.a. op de Ommeloper van het 's Heerwoutermansambacht uit 1559 baseerde, waarin de stad in rechthoekige "Teerlingen" verdeeld werd, liet de Ooststraat met de huidige Schipperstraat samenvallen (zie afbeelding 1 : de straat tussen teerling 7 en 8)[9]. Het valt dan ook niet mee om de juiste ligging van deze straat te bepalen, aangezien het eerste betrouwbare plan (Jacob van Deventer) de situatie van ongeveer 160 jaar later weergeeft en men rekening moet houden met het feit dat na het beleg (1601-1604) vele straten nieuwe namen kregen ! Toch geven ook wij de voorkeur aan de Schipperstraat, omdat bij het opmeten van de verschillende afstanden tussen de huidige straten en na vergelijking van de resultaten met de afmetingen uit de akte van 1401, deze straat een meer aanvaardbare oplossing biedt dan de Kapucijnen- en Kaaistraat[10]. Een andere -zeer logische- motivering voor de keuze van de Schipperstraat, is gewoon het feit dat deze straat de meest oostelijk gelegen straat was. Wanneer we opnieuw het plan nemen waarop de stad in teerlingen verdeeld is, wordt de Ooststraat gesitueerd tussen teerling 7 en 8, terwijl de Weststraat tussen teerling 1 en 2, 10 en 11 en tussen 18 en 19 gesitueerd wordt, wat overeenkomt met de meest westelijk gelegen straat[11]. Het hierboven genoemde plan behandelt natuurlijk de situatie van de 16de eeuw, maar in de eerste rekeningen van het begin van de 15de eeuw werd de Hooghe strate ook wel "Weststrate" genoemd, waarschijnlijk omdat die straat toen de meest westelijk gelegen (gebannen) straat was !
Dezelfde akte van 1401 bepaalde ook de ligging van de nieuwe markt : "hoofdende met der westzide an die hoghe strate en met der zuudzyde toten alven duerbreke[12]...". Het marktplein, ook wel "de Zuudmarct" genoemd om het onderscheid met de markt van de oude stad te maken, lag dus ten zuiden van het stadhuis (in tegenstelling tot het huidige Wapenplein dat gelegen is ten noorden van het Feestpaleis, wat lange tijd dienst heeft gedaan als stadhuis)[13].
Naast deze twee "gebannen" straten - die we in de stadsrekeningen voortdurend terugvinden omdat de bewoners ervan een rente moesten betalen - werden in die akte van 1401 ook nog enkele andere straten beschreven, die echter geen naam meekregen. Al deze straten lagen in de omgeving van het voornoemde marktplein. Één ervan kan -opnieuw onder voorbehoud- ongeveer gesitueerd worden iets ten zuiden van de huidige Sint-Sebastiaanstraat, terwijl een andere ongeveer de huidige Breidel- en Nieuwstraat besloeg. Wanneer al deze gegevens samengevoegd worden, ontstaat er een geometrisch stratenpatroon rond de nieuwe markt.
De volgende stap in de verdere uitbouw van het nieuwe stadsdeel, was de bouw van een stadhuis en de halle ten noorden van het nieuwe marktplein (ongeveer op de plaats van het huidige Feestpaleis). Dit was opnieuw een gedwongen verplaatsing door tal van overstromingen en vooral door die van 1404 en 1411. Men begon in 1411 en beëindigde het werk zeven jaar later. Een deel van de bouwstoffen was overigens afkomstig van het raadhuis van het oude schependom. Ook andere gebouwen werden verplaatst, b.v. het "Masthuus" (de stedelijke opslagplaats, afgebroken in 1412)[14]. V. Fris vermeldde ook nog de bouw van een nieuw hospitaal in 1429 en het feit dat er naast de openbare gebouwen ook meer en meer particuliere woningen verplaatst moesten worden[15].
En terwijl steeds meer mensen zich gingen vestigen in de nieuwe stad, rezen er algauw problemen rond de geestelijke verzorging. Immers, door de verhuizing kwam men in een andere parochie terecht, nl. die van Sint-Catharina, gelegen tussen Oostende en Mariakerke. De afstand van Oostende tot dit dorp, dat in de 16de eeuw verdween, was echter te groot om er probleemloos de parochiale kerk te herbergen. Er rezen klachten van de bevolking en reeds van 1409 af begon men rekening te houden en voorbereidingen te treffen voor een nieuwe kerk in het nieuwe stadsdeel om zo de twee delen van Oostende tot één parochie te laten samensmelten. E. Vlietinck beschreef uitvoerig de hele administratieve rompslomp die een dergelijke gebeurtenis met zich bracht[16]. Het stadsbestuur van Oostende moest immers zowel de kerkelijke als de wereldlijke machthebbers aanspreken : de eerste groep om de evidente reden dat er een nieuwe kerk gebouwd moest worden, die moest gewijd en gezegend worden, waarvoor er een priester aangeduid moest worden, enz. Van de tweede groep wou men een stuk grond verkrijgen dat vrijgesteld was van alle rente tegenover de Staat (het zgn. amortiseren van een stuk grond). En terwijl men onderhandelde en voortdurend gezanten over en weer zond, gingen de jaren één na één voorbij. De grote doorbraak kwam er in 1434, wanneer ze de pauselijke bulle[17] verkregen. De wethouders en de voornaamste burgers van de stad stelden onmiddellijk een oorkonde op om aan hertog Filips de amortisatie of "doodingsakte" te vragen[18]. Deze akte werd echter pas in 1438 verkregen, waarna men dan ook direct aan het bouwen sloeg (maar de eerste steen van de toren werd wegens geldgebrek pas 40 jaar later gelegd...[19]).
In dezelfde periode probeerde het nieuwe Oostende ook economisch een betere positie te verwerven. Als vissersstadje had het op zijn minst nog twee zaken nodig om verder te kunnen groeien : een betere verbinding met het binnenland en een degelijke haven. De bestaande verbinding, de "Oostendsche Watergang" uit 1285, was immers bij gebrek aan onderhouds- en herstellingswerken na de vele stormen en overstromingen onbevaarbaar geworden.
Opnieuw verliep er veel tijd tussen de eerste aanzet tot (1426) en de uiteindelijke uitvoering van de werken (1443). Er moest immers toestemming verkregen worden van het Brugse Vrije en van de verscheidene grondeigenaars waarop de bestaande watergang gesitueerd was[20]. In 1443 kreeg de stad dan toch de nodige machtiging om een nieuwe watergang te delven. De kosten werden als volgt verdeeld : twee derden voor de eigenaars van het Woutermansambacht en één derde voor de stad Oostende. De stad moest echter ook de verantwoordelijkheid op zich nemen om "ten eeuwigen dage" in het onderhoud van de twee sluizen te voorzien en bij eventuele waterschade de kosten te dragen[21]. En door deze "Nieuwe Oostendsche Watergang" was er een rechtstreekse verbinding met de Brugse Yperleet, een kanaal dat van Ieper, over Oudenburg naar Brugge liep. Dit kanaal krijgt nummer 32 op het (bijgewerkte) plan van Jacob van Deventer, en de aftakking naar de haven, de zgn. "Havenvliet" heeft nummer 33. En zoals op het bovengenoemde plan al aangegeven is, heeft Oostende het ook aangedurfd om -bijna direct na het graven van de Nieuwe Watergang- ook de toelating te vragen om een haven uit te bouwen. Tot dan toe was het immers de gewoonte dat de vissers hun boten op het strand trokken[22]. Dit was een veel voorkomend gegeven langs de hele Vlaamse kust : in de 13de eeuw was er namelijk een reeks nieuwe vissersnederzettingen ontstaan, waarvan de naam eindigde op "yde" en die gelegen waren aan de kustlijn en in de nabijheid van grotere havens, waarvan ze juridisch en bestuurlijk afhankelijk waren. "Yde" verwijst naar een vlak strand en zodoende een soort aanlegplaats en tweederangs schuilhaven[23]. In feite was Oostende vóór 1445 een dergelijke tweederangshaven (maar door een vroegere stichtingsdatum heeft ze geen naam die eindigt op yde).
Met de uitvinding (of toch zeker de verfijning) van het kaken van haring door Jacob Kien en Gilles Beukels, won de visserij meer en meer aan belang. Bovendien kon men dankzij deze nieuwe bewaartechniek grotere haringbuizen inleggen, en die grotere boten eisten goed uitgeruste havens. Het gevolg was dat de grote zeevisserij zich meer en meer in de drie grote Vlaamse havens van Duinkerke, Nieuwpoort en Oostende concentreerde, waardoor de minder goed uitgeruste "ydehavens" tot de kleine zeevisserij en kustvisserij vervielen of zelfs voorgoed verdwenen[24].
Oostende voerde reeds haring uit naar de markten van Doornik, Bergen, Valencijn, Rijsel en Kamerijk[25]. De vraag naar een haven was dan ook terecht. Dit gebeurde in 1444 door de toenmalige burgemeesters Jakob Flore en Jan Moene, toen Filips de Goede in Valenciennes vertoefde. De beweegredenen voor dit verzoek waren opmerkelijk : men wou door de bouw van een haven het gevaar van overstromingen en de wateroverlast in de oude stad beperken om zo dit deel van de stad van de volledige ondergang te redden, de vissers zouden een veilige plaats voor hun schepen krijgen, een haven zou de grote afstand tussen de twee bestaande havens Nieuwpoort en Sluis halveren, enz... Van de economische en de daaruit voortvloeiende financiële voordelen voor de stad zelf, werd met geen woord gerept. En na twee onderzoeken werd de vergunning effectief verleend op 27 december 1445 en wel met de volgende voorwaarden :
§ alle kosten waren voor Oostende (dit hadden de burgemeesters zelf voorgesteld) ;
§ de stad moest zelf alle bestaande dijken versterken ;
§ er mochten alleen vergunningen van verblijf worden toegekend aan vreemde vissers en andere allochtone inwonenden (en dus geen vergunningen die handelsactiviteiten op zelfstandige basis toelieten) ; deze laatste bepaling was ingevoerd ter bescherming van de poorters van Oostende die zelf moesten opdraaien voor de hoge kosten[26].
Men bleek dus nogal gebrand te zijn op die haven : alles werd uit eigen zak betaald, de schepenen boden hun loon aan om de kosten te helpen dragen en dit voor een periode van vier jaar, uit de omliggende dorpen kwamen mensen gratis delven,... Het mag dan ook geen wonder heten dat de haven in een mum van tijd klaar was. Reeds op 18 oktober 1446 werd de dijk doorstoken : de havenstad Oostende was een feit. Het havendok kwam tussen de twee stadsdelen in te liggen, die vanaf dan d.m.v. een brug verbonden waren. Er was nu een rechtstreekse verbinding tussen de zee en de Nieuwe Oostendsche Watergang[27].
Tot hier toe werd in het verhaal enkel gesproken over de vijandige zee, maar een tweede vijand die op zijn minst evenveel (en bij nader inzien nog veel meer) schade heeft veroorzaakt dan de natuurelementen was de mens. Bowens vermeldde in zijn jaarboeken onder meer de inval in 1439 van Van de Veere, admiraal van Holland en Zeeland, "alles verwoestend en verbrandend"[28]. Toch werd dit feit slechts terloops vermeld. Ook op het einde van de 15de eeuw, wanneer Vlaanderen in rep en roer stond door de moeilijkheden met Maximiliaan van Oostenrijk, werd Oostende nogmaals tot puin herschapen, ditmaal door een Engels garnizoen. In het conflict tussen hem en Maximiliaan had Oostende immers de kant van de Franse koning gekozen[29]. Het gevolg was dat het stadhuis moest herbouwd worden en er ook aan de kerk herstellingen nodig waren. De aartshertog moest dan ook privileges toestaan om de heropbouw van de stad mogelijk te maken (1490).
[1] Bewaard in het Algemeen Rijksarchief in Brussel, fonds Rekenkamer, nr. 37.239 en volgende. (In het Stadsarchief van Oostende bevinden zich kopieën op microfilm, nvdr).
[2] G. DEPT. De oudste rekening van Oostende (1403-1404) - Annales de la Sociéte d'émulation de Bruges, dl. LXXV (1932), p. 180-183.
[3] G. DEPT. De oudste rekening van Oostende (1403-1404), p. 206.
[4] E. VLIETINCK. Cartulaire d'Ostende, p. 141-147.
[5] A. SLEEKS. Oude Oostendse straten en gebouwen, p. 19.
[6] V. FRIS. Ostende-Oostende, p. 4.
[7] Deze Ooststraat heeft dus niets te maken met de huidige Ooststraat die trouwens een volledig andere oriëntatie heeft, nl. van west naar oost.
[8] E. VLIETINCK. Het oude Oostende, p. 149. Het register ging echter verloren bij het bombardement van 1940.
[9] J.B. DREESEN. Situering van enkele gebouwen en straten in 16de eeuws Oostende, p. 230-233.
[10] We willen met deze kleine test zeker geen absolute waarheden verkondigen, omdat er te veel veranderingen in het straatbeeld zijn om de metingen op een volledig afdoende manier te doen. De test geldt dus enkel en alleen als een kleine, bijkomende motivering van de keuze, naast de reeds bestaande die meer historisch gefundeerd zijn.
[11] J.B. DREESEN. Situering van enkele gebouwen en straten in 16de eeuws Oostende, p. 230-233. Ook de Weststraat had toen blijkbaar een andere oriëntering dan de latere Weststraat, de huidige Adolf Buylstraat.
[12] De "duerbreke" was een waterloopje dat de nieuwe stad van west naar oost doorkruiste ter hoogte van de huidige Witte Nonnenstraat, op het plan van Jacob van Deventer, nr. 34 (KP/F0024).
[13] A. SLEEKS. Oude Oostendse straten en gebouwen, p. 109.
[14] A. SLEEKS. Oude Oostendse straten en gebouwen, p. 19. ; E. VLIETINCK. Het oude Oostende, p. 32 ; V. FRIS. Ostende-Oostende, p. 3.
A. Sleeks beweert dat het Masthuis hetzelfde gebouw is als het "Ghiselhuus", terwijl V. Fris een onderscheid maakt door het eerste als opslagplaats te omschrijven en het tweede als gevangenis. Ook E. VERWIJS en J. VERDAM noemen het Ghiselhuis een soort gevangenis (nl. een gebouw waarin personen gegijzeld werden tot ze een bepaalde schuld vereffend hadden), in Middelnederlandsch Woordenboek, 's-Gravenhage, 1885-1929.
[15] V. FRIS. Ostende-Oostende, p. 1.
[16] E. VLIETINCK. Het oude Oostende, p. 35-41.
[17] Gepubliceerd in : E. VLIETINCK. Cartulaire d'Ostende, p. 291-292.
[18] In deze akte beloven de burgers ook dat ze zelf zullen instaan voor de bouw van de kerk, gepubliceerd in het tijdschrift Fragmenta, oktober 1887, p. 85-87.
[19] A. VIAENE. Klokkendoop en torenbouw te Oostende. Het bezoek van bisschop Gillis de Baerdemakere. 19-20 juli 1478 - Ostendiana, II (1975), p. 179-182.
[20] A. SLEEKS. Vijf glanspunten uit de geschiedenis van Oostende, p. 22-23.
[21] Akte gepubliceerd in : E. VLIETINCK. Cartulaire d'Ostende, p. 229-230 en besproken in J. BOWENS. Nauwkeurige beschrijving, deel I, p. 20.
[22] A. BELPAIRE. Notice historique sur la ville et le port d'Ostende, p. 11.
[23] R. BILLIAU (e.a.). Tussen land en zee. Het duingebied van Nieuwpoort tot De Panne. Tielt, 1992, p. 77. In de buurt van Oostende werd de locatie Blutsyde vaak vermeld.
[24] R. BILLIAU (e.a.). Tussen land en zee. Het duingebied van Nieuwpoort tot De Panne, p. 78.
[25] E. VLIETINCK. Het oude Oostende, p. 62.
[26] A. SLEEKS. Vijf glanspunten uit de geschiedenis van Oostende, p. 24-28 ; de akte van de vergunning is te vinden in : E. VLIETINCK. Cartulaire d'Ostende, p. 78-81.
[27] A. SLEEKS. Vijf glanspunten uit de geschiedenis van Oostende, p. 24-28.
[28] J. BOWENS. Nauwkeurige beschryving, p. 20.
[29] J. BOWENS. Nauwkeurige beschryving, p. 25-28.