Deel 22. Pol de sluisemarchand en Jan de mosselman…

Heel wat beroepen en bezigheden zijn ondertussen verdwenen.

 

Woorden samengesteld volgens hetzelfde model zijn kenmerkend voor een gesproken dialect als het Oostends. Voeg daarbij de invloed van het Frans en we komen tot samenstellingen als groenselmarchand, sluisemarchand, patatemarchand, koolmarchand, houtmarchand, vismarchand, vleesmarchand, enz.

 

De viskarretjes maakten deel uit van het Oostends straatbeeld: ventende vrouwtjes die met een stootkar door de stad trokken om vis, garnalen of kreeftjes aan de man of de vrouw te brengen. Deze dametjes - het was een specifiek vrouwelijk beroep - verdwenen in de loop van de jaren 60, toen de hygiënische eisen alsmaar groter werden. Tijdens de zomer rook men de viskarretjes van op afstand. De visvrouwtjes hielden regelmatig halt voor een babbel en stelden zich meestal in groep op. Eén van hun verkoopspunten was gelegen aan de A. Pieterslaan, ter hoogte van het klooster van de Zusters van de H. Jozef. Andere vrouwtjes hadden hun stansplaats in de Paulusstraat of aan de Lijnbaanstraat. Wanneer ze op toer waren, kondigden ze hun komst aan met de bekende kreet: “Moeten er gernoas zien?” (“Moeten er garnalen zijn”?), wat wij interpreteerden als “De gernoas zie

 

Het waren ook deze “visscherinnen” of “viswuven” die de morgen van 3 november het Sint-Hubrechtsbrood in manden ronddroegen terwijl ze riepen: “Moet er Sint-Hubrechtsbrood zijn?” Het Sint-Hubrechtsbrood zag er uit als kleine ronde pistolets, maar wel gebakken uit sandwichdeeg. De broodjes werden ‘s morgen vroeg in de kerk gewijd en beschermden de consument tegen hondsdolheid. Mooie traditie die eveneens gesneuveld is op het veld van de onverschilligheid ...

 

De rust in de straat werd nog door anderen verstoord. Vooreerst door de “schareslieper” die met zijn stootkar de stad afdweilde. De kar kon stevig en stabiel op poten worden vastgezet en was voorzien van een zitje voor de man. Door middel van pedalen en riemen bracht hij de slijpstenen in beweging waarmee hij scharen en messen vlijmscherp sleep. De stootkar was overdekt en bood bescherming tegen regen en fel zonlicht.

 

De stoorkar van de voddenman, de “sluisemarchand”, was minder comfortabel uitgerust. Ook hij kondigde zijn komst aan door het roepen van een kenwijsje (ik heb nooit de volledige en echte betekenis ervan gesnapt) gebaseerd op de woorden “sluisen en bènen”.

 

“Kent gij Jan, de mosselman” ? Op vrijdag kwam die Hollander langs op zijn gemotoriseerde bakfiets. Voor zover ik mij herinner, droeg de mosselman een lederen jas en een “kappehoed”. Met zijn ratel lokte hij de huisvrouwen naar buiten.

 

De verbetering van de levensstandaard riep ook een nieuwe "stiel" in het leven. De huisvrouw zag het niet langer zitten om elke dag verse soep te maken. Dan maar beroep doen op de ambulante soephandelaar, de “soepemarchand”, die dagelijks de soep aan huis bracht. Zijn kenmerkend geluid was de bel. De “soepekar” heeft de jaren vijftig overleefd. Slager Lanckriet (hoek Torhoutsesteenweg – Elisabethlaan) zag als één van de eersten kaas in deze nieuwe bedrijvigheid. Hijzelf en zijn vrouw baatten verder de slagerij uit terwijl zijn zonen van ‘s morgens vroeg de soep bedeelden en hierdoor regelmatig te laat kwamen op school waar ze het 7de en 8ste leerjaar volgden. De soepgeur zat letterlijk in hun kleren. Ik herinner mij dat ze als eersten op school een “spijkerbroek” droegen. Ook al waren het Elvis Presley en James Dean die deze mode via het witte scherm invoerden, de meeste ouders vonden toen deze kledij ongepast voor de schoolbanken.

 

Er zijn ook heel wat andere beroepen en handelsactiviteiten die een stille dood zijn gestorven. De “modiste” (oudere mensen spraken van “hoedemaakege”) - bv “Huis Claire” aan de Torhoutsesteenweg - verloor haar cliënteel toen de dames hun hoed thuis lieten. Ook de “coupeuse”, die de stof knipte voor huisvrouwen die zelf hun kleren maakten, en de “noajege” (= naaister) verdwenen toen maatkledij de plaats ruimde voor “opgemaakte” of pasklare kledingsstukken. De fotograaf (bv Vermeire aan de A. Pieterslaan, Lenaerts aan het Mac Leodplein) die de zwart-wit amateurfilms ontwikkelde in zijn donkerkamer, sloot zijn deuren op het ogenblik dat labo’s die job overnamen. Volautomatische wasmachines en wasserettes verdreven de semi-industriële zelf-wasserijtjes (de “Lelie” in de Nijverheidstraat is nog een restant) waar de huisvrouw maandelijks haar was kwam doen. Een wagen van de wasserij kwam ‘s morgens de vuile was ophalen en bracht die na afloop terug aan huis. De was werd gewogen op de “bascule” en men betaalde per kilo.

 

Een vertrouwd beeld aan de visserskaai waren de gepensioneerde en andere vissers(vrouwen) die netten breiden terwijl de vis aan rekken te drogen hing. Ook zij verdwenen met de noorderzon en ruimden plaats voor de talrijke visstalletjes die de “koaje” het hele jaar door rijk is.

 

Wie zich geen consumptie in de “Biercoo” kon permitteren, maar wel nood had aan ge­zelschap of aan een “moat” om te kaarten, kon terecht in de “Droge Coo”, aan de “Drie Gapers”, in een lokaal dat deel uitmaakte van de Venetiaanse galerijen. Men kon er de rook snijden. De “Droge Coo” werd, voor zover ik mij herinner, enkel door mannen gefrequenteerd. De dames kwamen er om hun echtgenoot af te halen.

Klik hier voor het vervolg
(c) John Aspeslagh. Gebruik van deze tekst toegestaan mits bronvermelding en kennisgeving aan Archief.