Toelichting door prof. dr. Luc François bij het derde addendum (2013)

In deze aflevering van de Bibliografie van de Geschiedenis van Oostende presenteren we de publicaties – zowel boeken als artikelen – die in de jaren 2007 tot en met 2011 zijn verschenen. Daarmee voldoen we aan wat in 2000 werd gesteld, namelijk om de vijf jaar de recente ‘Oostendse’ oogst bijeenbrengen en aan het geïnteresseerde publiek presenteren. Daarmee hebben we – in de vier publicaties samen – 7.850 titels bijeengebracht en thematisch ontsloten.

Het is nu ruim zestien jaar geleden dat we gestart zijn met de werkzaamheden rond de samenstelling van deze bibliografie en ruim twaalf jaar geleden dat het eerste deel van de persen rolde. Het wekt dan ook geen verwondering dat er in die tijd ook een en ander is veranderd in de samenstelling van de werkgroep. Ten opzichte van de vorige aflevering (deel 8c van de Oostendse Historische Publicaties) zijn het vertrek van Freddy Hubrechtsen uit de werkgroep ‘Bibliografie’ van de Plate en de komst van Georges van Duyvenboden de enige veranderingen. Freddy Hubrechtsen heeft vele jaren en met grote toewijding aan de Bibliografie meegewerkt: zijn kennis over het verleden van Oostende, maar ook zijn inzet om zelfs de moeilijkst te vinden titel op te sporen, heeft hij steeds belangeloos ten dienste gesteld van de werkgroep. We zijn hem daar erg dankbaar voor. Georges Van Duyvenboden heeft met verve die plaats ingenomen: mede dank zij zijn inbreng hebben we op heel efficiënte wijze kunnen werken en tijdig een resultaat kunnen neerleggen.

De algemene tendensen die we in de vorige afleveringen vaststelden, zijn ook nu weer aan de orde. Er wordt in hoofdzaak over de hedendaagse periode gepubliceerd. Het toerisme, de koninklijke familie, de visserij en de kunsten zijn ook nu traditiegetrouw weer de voornaamste thema’s. Dit impliceert meteen ook dat de manco’s die we vroeger vaststelden nog steeds niet worden ingevuld.

Aan de Belgische universiteiten wordt reeds heel lang grote aandacht besteed aan lokale geschiedenis. Deze invalshoek biedt de aankomende en beginnende vorser de mogelijkheid om een of ander facet van het verleden in zijn totaliteit te vatten en aan alle elementen de nodige aandacht te geven. Het wekt dan ook geen verwondering dat er al vanaf de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw op geregelde tijdstippen ‘gidsen’ en ‘handleidingen’ verschenen met de bedoeling de lokale geschiedenis op een volwaardige en hoogstaande wijze te kunnen beoefenen. Het is in dit licht merkwaardig te moeten vaststellen dat de academisch gevormde Oostendse historici zich na het afstuderen zich bijna niet met lokale geschiedenis inlaten. Een aantal onder hen publiceert hun eindverhandeling in boekvorm of als een aantal artikelen; de meerderheid doet dit echter niet. In andere Belgische steden zien we heel vaak aan ander verhaal en is de band tussen academisch gevormde en amateurhistorici veel intenser.

In het wereldje van de historici – of het nu academisch gevormde professionelen dan wel toegewijde amateurs zijn – is het een algemene stelregel dat het eigenlijke werk van opsporen, analyseren, verklaren en presenteren, vooraf gegaan wordt door het formuleren van een goede probleemstelling (wat willen we eigenlijk onderzoeken?), door een zoektocht naar wat gekend is (wat werd er eerder al over gepubliceerd?) en door een methodologisch georiënteerde toelichting bij het opgezette onderzoek (hoe zullen we het onderzoek opzetten en doorvoeren?). Ook in eerder kleine bijdragen moet dit worden toegepast: dit kan perfect gebeuren in een korte inleidende paragraaf. Vóór het jaar 2000 (toen het eerste deel van de Bibliografie het licht zag) kon geargumenteerd worden dat het niet gemakkelijk was om weten wat er eerder was gepubliceerd. Dit argument is nu niet meer geldig en dus zou het historische werk over Oostende veranderd moeten zijn: het zou professioneler en hoogstaander moeten zijn geworden.

Willen we eerlijk zijn, dan moeten we durven inzien dat de kwaliteit nog even divers is als voorheen. Wordt de Bibliografie te weinig benut? Is de Bibliografie te weinig gekend? Zijn de publicisten over Oostendse geschiedenis er minder dan in andere Belgische steden in geïnteresseerd? In vergelijking met andere Belgische steden – zowel groot als klein – blijven we achterop hinken en dat is enerzijds jammer en anderzijds is daar geen enkele objectieve verklaring voor. We blijven zien dat de publicaties heel divers zijn en in heel wat gevallen erg anekdotisch van aard. Op die manier is het rendement van het vele werk spijtig genoeg niet optimaal. Daar zou dringend verandering moeten in komen. Zonder afbreuk te willen of kunnen doen aan de voorkeuren van de vele auteurs om zich met deze of gene periode in te laten of zich over een of ander onderwerp te buigen, kan er door een gemeenschappelijke en/of een meer professionele aanpak veel meer worden bereikt. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de projecten inzake ‘huizenonderzoek’ die in diverse Belgische steden collectief worden aangepakt en die tot verbluffende resultaten leiden. Maar ook heel veel andere onderwerpen lenen zich tot een dergelijke aanpak en dit in de sectoren politieke, economische, sociale en culturele geschiedenis. Er zijn in Oostende meer dan genoeg geïnteresseerde organisaties en instellingen en een heel grote groep enthousiastelingen: door een overlegde en goed georganiseerde aanpak kan de geschiedschrijving over Oostende een ware boost krijgen. De Bibliografie van de Geschiedenis van Oostende is één van de bouwstenen daartoe.

 

Prof. Dr. Luc François