"Historiografie over Oostende: een stand van zaken" door prof. dr. Luc François (2018)

Tekst uitgesproken bij de presentatie van de Bibliografie van de Geschiedenis van Oostende, 
zaterdag 3 februari 2018. Oostende, Bibliotheek Kris Lambert

 

Geachte Dames en Heren,

In 1996 werd in de schoot van De Plate een werkgroep opgericht met de opdracht een Bibliografie van de Geschiedenis van Oostende samen te stellen. De nood daaraan was toen al herhaaldelijk geformuleerd, meer bepaald door Walter Major, Omer Vilain en Jan Dreesen. In 1995 reageerde ik op de oproep van Jan Dreesen, met de installatie van de werkgroep korte tijd later als gevolg. Van meet af aan werd gesteld  dat dit geen eenmalig initiatief mocht blijven, maar dat we na de publicatie van dit eerste exemplaar actief zouden blijven en om de vijf jaar een recente stand van zaken zouden opstellen. Vandaag, meer dan twintig jaar later, wordt dus het vijfde deel voorgelegd en hebben we in de vijf delen samen bijna 9000 publicaties over de geschiedenis van Oostende bijeen gebracht.

Er is veel veranderd sinds onze eerste vergadering! Toen gingen de leden van de werkgroep aan de slag door in bibliotheken, onderzoekscentra en musea de fiches van de catalogi te gaan lezen, overschrijven of kopiëren. Vandaag moet dit af toe nog wel eens gebeuren, maar voor een groot deel kunnen we ons baseren op wat online beschikbaar is. Dit maakt het werk niet eenvoudiger, maar wel anders. Vroeger was een ‘vondst’ op zich al een aangename ervaring, nu ligt de klemtoon meer op het selecteren en de vraag beantwoorden of deze of gene verwijzing wel kan of moet worden opgenomen.

De gewijzigde zoekstrategie maakt het relatief gemakkelijk om alsnog oudere publicaties op te nemen die destijds aan de aandacht ontsnapten. In de aflevering die we vandaag hier voorstellen staan in totaal 1049 titels, maar slecht 494 daarvan zijn effectief in de jaren 2012-2016 verschenen, tegenover 555 oudere titels die nu zijn opgevist.

Een tweede verandering geldt de samenstelling van de werkgroep. Bij elke nieuwe aflevering is er wel een of andere medewerker die om welke reden ook uit de werkgroep verdwijnt, maar gelukkig zijn er telkens ook weer nieuwe kandidaten. Alles samen genomen hebben tot nu toe niet minder dan 14 personen hun schouders onder dit initiatief gezet. Zonder hun inzet zou de Bibliografie geen lang leven beschoren zijn geweest.

Een constante echter is dat we in de voorbije decennia er altijd naar gestreefd hebben om ‘alles’ op te nemen die betrekking heeft op de geschiedenis van Oostende. De kwaliteit, de aard (tekst, beeldmateriaal), de lengte of het opzet van de bijdrage of de aard van het tijdschrift kunnen nooit een sluitend antwoord geven op de vraag naar al dan niet opname. We laten ons alleen door het thema leiden: gaat het over de geschiedenis van Oostende of niet? Elke andere optie zou aanleiding geven tot discussie en wie van ons kan zich het recht toe eigenen om met recht en rede een oordeel te vellen?

Naar aanleiding van de publicatie van de eerste, grote aflevering maakte ik een analyse van de voornaamste tendensen die konden worden vastgesteld in de historiografie over Oostende tussen 1800 en 2000. Vijf jaar geleden maakte ik dezelfde oefening voor de oogst van de jaren 2007-2011. Ik probeerde toen niet alleen de voornaamste kenmerken van die publicaties naar voren te brengen (auteurs, aantal, bestudeerde thema’s, bestudeerde periodes, …), maar ook de blinde vlekken te signaleren, met daarbij een oproep om die hiaten aan te pakken. Ik zal nu kort nagaan wat de gelijkenissen en de verschillen zijn tussen mijn bevindingen over de oogst 1990-1999 en 2007-2011 enerzijds en die van de recente oogst 2012-2016 anderzijds.

Een eerste vaststelling is de daling in het aantal titels per jaar. Voor de jaren 2007-2011 waren er 694 ‘nieuwe’ titels tegenover 494 nu. Dit is een daling met ongeveer 30 procent. We mogen niet teveel aandacht besteden aan het heel precieze aantal omdat vb. nogal wat tijdschriften met vertraging verschijnen en we dus in 2016 nog niet alle publicaties kenden die finaal tot dat jaar zullen worden gerekend. Maar dit was vijf jaar geleden uiteraard ook het geval. De dalende tendens is dus duidelijk. Is dit verontrustend? Op zich niet: het aantal is immers maar één van de indicatoren over de levendigheid van het historisch wereldje in Oostende, maar het mag natuurlijk niet zo verder blijven gaan.

Ik vergeleek ook de spreiding van de publicaties over de diverse historische periodes in vergelijking met de Bibliografie van de Geschiedenis van België. Verschillen impliceren hier geen oordeel want deze kunnen beïnvloed zijn door specifieke, al dan niet lokale omstandigheden of door de interessegebieden van de auteurs. Ik stel niettemin vast dat er over Oostende weinig of geen ‘algemene werken’ verschijnen en daarmee bedoel ik studies die een ruime scope hebben en die periode-overschrijdend of thema-overschrijdend zijn. Daar bij aansluitend stel ik vast dat er steeds minder zelfstandige publicaties verschijnen: het aantal artikels is reeds tot bijna tachtig procent van het geheel opgelopen. Dit is een evolutie die sinds het midden van de twintigste eeuw aan de gang is en die blijkbaar steeds verder gaat.

Een tweede contante is de relatief grote aandacht voor de hedendaagse geschiedenis van Oostende. Dit kan worden verklaard door de aan- of afwezigheid van het bronnenmateriaal en door de graad van toegankelijkheid er van, maar het leidt helaas en onvermijdelijk wel tot een vertekend beeld over het Oostendse verleden.

In mijn uiteenzetting in 2013 legde ik nogal de nadruk op het belang van kwaliteitsvolle publicaties. Of de auteur nu een professioneel historicus is dan wel een amateur in de goede zin van het woord, het komt er altijd op aan om met een publicatie voor de dag te komen die aan de eisen van de historische kritiek kan weerstaan. Dit betekent niet dat de tekst ‘moeilijk’ moet zijn of niet over een beperkt onderwerp mag handelen, maar wel dat er relevante bronnen en literatuur aan de basis moeten liggen. Op dit punt dragen de uitgevers van historische of heemkundige tijdschriften een grote verantwoordelijkheid. Wordt alles wat binnen komt gepubliceerd om toch maar voldoende kopij te hebben of worden er bepaalde kwaliteitscriteria gehanteerd die vb. door een redactieraad worden nagezien? Met andere woorden, worden ingestuurde stukken door ‘vreemde ogen’ gelezen en van commentaar voorzien vóór ze worden gepubliceerd? De vraag stellen is het antwoord geven, denk ik.

In 2000 stelde ik vast dat de ‘opmars’ van de Nederlandstalige publicaties in de loop van de 19e en 20e eeuw mooi in kaart kon worden gebracht: vanaf de tweede helft van de 20e eeuw waren de Nederlandstalige publicaties in de meerderheid en dit is zo gebleven tot vandaag. Het is uiteraard goed dat de geschiedschrijving gebeurt in de taal van de regio waarover de publicaties handelen en op die manier voor een breed publiek toegankelijk zijn. Nu staat het aandeel van het Nederlands op 85 procent; het Frans op 5 procent en andere talen samen op 10 procent. Thema’s als maritieme geschiedenis en kunst en periodes als de Spaanse en Oostenrijkse tijd scoren het hoogst met anderstalige publicaties. Prima, maar andere thema’s en periodes lenen zich evenzeer om eens een aspect van de Oostendse geschiedenis voor een internationaal publiek naar voren te brengen.

Aan de hand van de vergelijking van de onderdelen van de Bibliografie van de Geschiedenis van België met die van Oostende kunnen lijstjes worden opgesteld van thema’s die veel, weinig of niet aan bod komen in de Oostendse casus.

Naast de studies over de Eerste Wereldoorlog (maar dat is wat atypisch en na 2018 zal de belangstelling wel weer verdwijnen) zijn de klassieke toppers de geschiedenis van de visserij in de ruime zin van het woord: de havenproblematiek, het havenbeleid, de visvangst, de visverkoop en de vissers als sociale groep. Toerisme en urbanisatie zijn ook goed vertegenwoordigd en ook de kunsten zijn een constante in de belangstelling: architectuur, letterkunde en schilderkunst scheren hoge toppen.

De blinde vlekken zijn – naast de algemene werken die ik reeds signaleerde – de periodes vóór de negentiende eeuw, met uitzondering dan voor het Beleg van Oostende en de Oostendse Compagnie. Er wordt ook weinig gewerkt over instellingen, over verkiezingen, politieke partijen, patronaat, landbouw, middenstand en vakbonden. Gender- en jeugdproblematiek ontbreekt volkomen, net als de geschiedenis van de vrijzinnigheid. Financiële geschiedenis, demografie, migratieproblematiek, onderwijs en gezondheidszorg zijn eveneens ondervertegenwoordigd. Deze korte opsomming geeft niet het gehele verhaal, maar toont enkel de voornaamste tekorten. Er zijn dus genoeg ‘nieuwe’ onderwerpen die moeten toelaten de begaande paden te verlaten.

In 2000 - tijdens de persvoorstelling van het eerste exemplaar - zegde ik onder meer: ‘We noteerden ook dat vrouwen slechts sporadisch als individu en nooit als groep zijn bestudeerd, terwijl ze door de eeuwen heen de meerderheid van de bevolking uitmaakten. We stelden terzelfdertijd ook vast dat vrouwen maar een fractie van de auteurs van deze Bibliografie uitmaken en dat daar tot op vandaag nog weinig verandering is in gekomen’. Tussen 1800 en 1949 bedroeg het aantal vrouwelijke auteurs maar 1 procent van het geheel; in de tweede helft van de 20e eeuw steeg dit langzaam tot 7 procent. Vandaag is dit gestegen tot 17 procent. Twee bedenkingen daarbij: als we die stijging zo zijn gang laten gaan, dan duurt het nog een veertigtal jaar voor het aandeel van de vrouwelijke auteurs een weerspiegeling is van de samenleving. Ik wil niet pessimistisch zijn, maar als ik hier even rond kijk dan zijn er onder ons helaas niet zo heel veel die dit nog zullen meemaken. Een tweede bedenking is dat de inbreng van vrouwelijke auteurs zich vooral situeert bij ‘sociale geschiedenis’ en ‘cultuurgeschiedenis’, de zachte sectoren dus. Maar belangrijker is dat vrouwelijke auteurs vooral ‘in opdracht’ werken: masterproeven, boeken of artikels die het resultaat zijn van een studie in opdracht van de overheid. Maar eens het over ‘geschiedenis als vrijetijdsbesteding gaat’ wordt lokale geschiedschrijving vooral een mannenzaak. ‘Heemkunde Vlaanderen’ voerde recent een onderzoek uit bij bijna 500 kringen naar onder andere de vertegenwoordiging van vrouwen in die kringen. De conclusies waren en zijn dat de feminisering van de lokale geschiedschrijving een moeilijk proces is en dat er sprake is van een stroeve verwerving van genderdiversiteit.

Bekijken we die situatie van naderbij voor het tijdschrift ‘De Plate’, dan stellen we vast dat er in 2012-2016 79 auteurs actief zijn geweest en dat er daarvan slechts 2 vrouwen zijn. Eén vrouw schreef een bijdrage over sociale geschiedenis en een andere over godsdienst. Alle andere bijdragen zijn van de hand van mannen. Is dit nog van deze tijd? Wat moet er gebeuren op dit vlak? We kunnen ruim veertig jaar wachten, maar dat lijkt me geen goede optie.

Dames en Heren, met betrekking tot de oogst van de jaren 2012-2016 kunnen we vaststellen dat de positieve elementen die er voorheen al waren ook nu nog aanwezig zijn en dat is uiteraard een goede zaak. Zo blijven de sterke punten in de geschiedschrijving over Oostende duidelijk aanwezig en alles laat verhopen dat dit in de toekomst ook zo zal blijven. Mijn conclusies en oproepen van 2000 en 2013 zijn echter nu nog altijd geldig. Ik besef ten volle dat koerswijzigingen een zekere tijd vergen en dat de gevolgen er van niet meteen zichtbaar kunnen en zullen zijn. Dit mag echter geen aanleiding geven om de armen te laten zakken. Heemkundige en historische kringen kunnen ook een zelfreflectie doorvoeren en hun statuten aanpassen, hun bestuur anders samen stellen en hun redactioneel beleid heroriënteren. Dit kan de rijkdom van de geschiedschrijving alleen maar ten goede komen. Het zou mooi zijn mocht De Plate daar het voortouw in nemen en zo resoluut de 21e eeuw binnenstappen. Ik kan me voor de 65e verjaardag van De Plate volgend jaar geen beter geschenk aan zichzelf en aan Oostende voorstellen.

Luc François

Oostende, 3 februari 2018