"Alles van waarde is weerloos" door prof. dr. Luc François (2013)

Tekst uitgesproken bij de presentatie van de Bibliografie van de Geschiedenis van Oostende, 
zaterdag 9 februari 2013. Oostende, Bibliotheek Kris Lambert

 

Excellenties, Geachte Dames en Heren, Beste Vrienden, 

De titel van deze toespraak klinkt voor velen onder u wellicht wat bevreemdend bij de presentatie van een Bibliografie. “Alles van waarde is weerloos” is een regel uit het gedicht ‘De zeer oude zingt’ van Lucebert, die daarmee ‘waarde’ als filosofisch begrip een duiding probeerde te geven in de samenleving en het menselijke functioneren. Ik wil u duidelijk maken dat geschiedenis zowel waarde heeft als weerloos is. Maar ik wil beginnen met beide voeten op de grond en u eerst van de nodige tekst en uitleg over ons concrete project voorzien.

Met deze vierde aflevering van de bibliografie van de geschiedenis van Oostende hebben we de kaap van 8.000 titels bijna bereikt. Achtduizend titels die een plaats hebben gekregen in een thematisch en chronologisch overzicht. Achtduizend titels waarmee we het ‘gehele’ verleden van Oostende overspannen: boeken en tijdschriftartikelen die handelen over aspecten van de geschiedenis vanaf de prehistorie tot en met vandaag. Deze bibliografie is niet het enige middel om het verleden en de historiografische productie te ontsluiten. We beschikken al geruime tijd over een uitstekende archiefgids met betrekking tot het door vernietiging geplaagde bronnenbestand over de Oostendse geschiedenis. We beschikken ook over het Schaduwarchief van Oostende. Deze bibliografie sluit bij deze initiatieven aan. Een overzicht van gedrukte bronnen is even essentieel en even moeilijk te vinden en te raadplegen indien niet goed ontsloten. Oostende moet het nog zonder dit overzicht stellen. 

Midden de jaren negentig van de vorige eeuw is in de schoot van ‘De Plate’ een werkgroep aan de opstelling van deze bibliografie begonnen. Op die manier hebben we een antwoord gegeven op de lang sluimerende vraag van Walter De Bock, Jan Dreesen, Omer Vilain en – onuitgesproken wellicht – van vele anderen. In de loop van die vijftien jaar is de werkgroep regelmatig bijeen geweest. Voor wat betreft het ‘moederexemplaar’ waren die bijeenkomsten heel regelmatig en zeer intensief. Er was immers niets voorhanden om van te vertrekken. Wat in de loop van de jaren, waar ook en door wie ook en in welke vorm ook was gepubliceerd, was her en der verspreid en daardoor weinig en zeker niet systematisch toegankelijk. Een tweede reden waarom dit een titanenwerk was, had te maken met de vaak ambachtelijke wijze waarop bibliotheken en bibliografieën hun collecties toen nog ontsloten. Het is onvoorstelbaar hoe snel en hoe diepgaand het boek- en bibliotheekwezen in twee decennia is veranderd. Waar we nu via ‘copy-paste’ snel vooruitgaan, was het toen nog overschrijven en overtypen geblazen. Maar ons intensief speurwerk op vele plaatsen en in vele collecties resulteerde in een omvangrijke publicatie in het jaar 2000: 5915 titels; 370 bladzijden, ontsloten door indices op auteurs, zaaknamen, plaatsnamen en persoonsnamen.

Heel snel realiseerden we ons dat we ook de meest recente publicaties onder de aandacht van de geïnteresseerde moesten brengen. Dit bracht ons bij een eerste aanvulling in het jaar 2002. Toen werd besloten tot een regelmatige uitgave om de vijf jaar: in 2007 verscheen het overzicht met de productie van 2002 tot 2006 en vandaag dus een nieuw deel met de productie van de jaren 2007 tot 2011. Deze bibliografie bestaat niet alleen uit vier gedrukte volumes. Ze is ook raadpleegbaar op de website van het Stadsarchief Oostende. Deze digitale ontsluiting verenigt de vier banden en opent onbeperkte, snelle en gerichte zoekmogelijkheden. Het is ook een mooi voorbeeld van samenwerking tussen twee organisaties: de heem- en geschiedkundige kring De Plate enerzijds en het Stadsarchief Oostende anderzijds.
Een buitenstaander denkt wellicht dat de opstelling van een bibliografie een saaie bezigheid is. Titels moeten worden verzameld, nagezien en vervolledigd. De titelbeschrijving moet bovendien uniform worden gemaakt. Toch is het werk van de bibliograaf een boeiende bezigheid. Je krijgt een totaal overzicht van wat er gaande is in het historisch wereldje en je ziet dat de verschuivende belangstellingsvelden in het ruime historisch onderzoek zich ook op het lokale vlak voltrekken. Tussen 2000 en vandaag hebben we bijgevolg de indeling van de bibliografie al wat moeten aanpassen. De ‘groene beweging’, de ‘internetbronnen’, de ‘islam’ – om maar een paar voorbeelden te noemen - zijn als onderdeel van diverse rubrieken van de geschiedenis van Oostende er bij gekomen. De grote lijnen van de bibliografie zijn uiteraard altijd dezelfde gebleven. Ik heb dankbaar gebruik kunnen en mogen maken van het voorbeeld van onze grote broer: de Bibliografie van de Geschiedenis van België, die meteen na de tweede wereldoorlog aan de Universiteit Gent werd opgericht door mijn ene leermeester Jan Dhondt en gedurende vijftig jaar, meer bepaald tot het einde van 2012, werd beheerd, geleid en uitgevoerd door Romain Van Eenoo, mijn andere leermeester.
De grote vraag die zich bij dit soort arbeid stelt, is echter de vraag naar de betekenis van die arbeid. Niet alleen het grote publiek, maar ook de geïnteresseerde lezer van historisch werk en de actieve publicist – zowel amateur als professioneel historicus – stellen zich, net als de bibliograaf zelf, de vraag naar de zin en het waarom van deze bezigheid. “Stellen zich de vraag” of “zouden zich de vraag moeten stellen”. Ik wil dit benaderen vanuit een dubbel perspectief: eerst het algemene, dan het specifieke perspectief.
Waarom is een bibliografie nuttig en noodzakelijk en is dus het opstellen van een bibliografie een zinvolle bezigheid? Het is logisch – en ik heb dit gedurende vele jaren mijn studenten in Gent voorgehouden – dat de kennis over het verleden niet alleen opgeslagen ligt in archieven, maar evenzeer in bibliotheken. We moeten immers voortbouwen op wat onze voorgangers hebben bijeengebracht aan gegevens, maar meer nog aan inzichten. Doen we dit niet, dan trappelen we ter plaatse en bewijzen we de geschiedenis zeker geen dienst. Elk zinvol historisch onderzoek vertrekt – zo hoop ik toch – vanuit een vraagstelling. Elke auteur moet zich afvragen wat hij met zijn of haar artikel of boek wil bereiken. “Zomaar” iets neerschrijven of “zomaar” iets vertellen, is niet de meest vruchtbare aanpak. Er is in het verleden zoveel gebeurd dat we het niet allemaal kunnen weten en – wat mij betreft – ook niet willen weten. Het komt er op aan om essentie van bijzaak te onderscheiden, om het zinvolle te behouden en het zinledige naar de vergeetput te verwijzen. We komen als historici of publicisten alleen maar verder in zinvolle kennis van en in voortschrijdend inzicht in het verleden, als we weten waar onze voorgangers waren gekomen, wat niet betekent dat we het altijd met hen eens moeten zijn. Bovendien is het nuttig om inzichten van anderen over andere onderwerpen te leren kennen om zo een zinvol betoog te kunnen ontwikkelen. Om deze redenen is het dus noodzakelijk om te weten wat er al is gepubliceerd en – vooral – om er kennis van te nemen vooraleer men zelf de hand aan de ploeg slaat en in de bronnen probeert een en ander op te rakelen. Zonder kennis van wat we al over het verleden weten, komen we nooit verder dan anekdotes of het vertellen over toevallige vondsten, die op hun best niet meer zijn dan leuke weetjes.
Wat ik hier in het algemeen zeg, geldt uiteraard ook voor lokale geschiedenis. Hoe zinvol onze arbeid als bibliograaf op zich ook is, “the proof of the pudding is in the eating”. Zowel de professionele als de amateurhistoricus over het Oostendse verleden hebben nu geen enkel excuus meer om zich te verbergen achter het cliché: “Het is zo moeilijk om over Oostende iets te vinden”. Wat er wel is, is via de archiefgids en de bibliografie ter beschikking gesteld. Zowel in grote en uitgebreide monografieën als in het kleinste artikel over een detailaspect van het Oostendse verleden, verwacht je dus als lezer een opgave van de doelstelling van de auteur: wat wil ik als lezer weten en waarom wil ik als vorser dat de lezer dit weet? Je verwacht als lezer ook een vermelding van de werkwijze van de auteur: hoe is de auteur dit alles te weten gekomen? Verwijzingen naar bronnen en naar methode zijn dus noodzakelijk. Daar moet de Bibliografie van de Geschiedenis van Oostende dus zijn plaats krijgen. Het gaat immers niet alleen het schrijven en publiceren op zich, het gaat in de eerste plaats om kwaliteit.
We moeten eerlijk durven zijn: tussen de publicaties van vóór 2000 – het jaar van verschijnen van het eerste deel van de Bibliografie – en de publicaties van nà 2000 – toen alvast één, twee of drie delen van de bibliografie ter beschikking waren – is er op het gebied van kwaliteit grosso modo geen verschil te merken. Let wel, dit fenomeen doet zich voor zowel in het professionele werk als in het werk van de amateur. Meer nog, de Bibliografie van de Geschiedenis van Oostende wordt de facto nooit vermeld als uitgangspunt van onderzoek. Dit is misschien een wat ontnuchterende vaststelling op een feestelijk moment als dit, maar het heeft geen zin deze conclusie te verdoezelen. Dit fenomeen ligt volgens mij niet aan een eventueel gebrek aan intrinsieke waarde van deze Bibliografie of in de bekendheid ervan, maar vooral in de werkwijze van de historici en de publicisten. Overtuigd zijn van het nut van het gebruik van een bibliografie als startpunt is niet het enige middel om tot hogere kwaliteit te komen, maar het is wel een belangrijk element in een ruimere keten van stappen naar beter.

Deze beschouwing brengt me bij de wat intrigerende titel van mijn uiteenzetting: “Alles van waarde is weerloos”. De term ‘geschiedenis’ heeft een dubbele betekenis. Enerzijds wordt ermee bedoeld: ‘wat in het verleden is gebeurd’ en anderzijds handelt ‘geschiedenis’ over het verzamelen, analyseren, beschrijven en presenteren van de kennis van het verleden. In beide betekenissen heeft geschiedenis waarde. Inzicht verkrijgen in het gedrag van de mens – als individu en als deel van een groep – heeft waarde. Het kan helpen verklaren hoe de mens zich in moeilijke en complexe situaties gedraagt. In die zin draagt geschiedenis bij tot het besef waar we vandaan komen en waar we nu staan. Dit geldt voor alle vormen van geschiedenis: politieke, economische, sociale en culturele geschiedenis. Dit geldt heel zeker voor lokale geschiedenis, die de ruggengraat is van elk historisch onderzoek. Geschiedenis draagt dus bij tot burgerzin en heeft dus onomstotelijk waarde.

Maar ook in haar tweede betekenis heeft geschiedenis waarde. In de opbouw en de overdracht van deze kennis en dit inzicht zit een grote vormende waarde. Geschiedenis houdt de lezer – en in ruimere betekenis de samenleving – een spiegel voor. De waarde van geschiedenis wordt aangetoond in de grote belangstelling die zij geniet in de media: dag- en weekbladen, gespecialiseerde tijdschriften, digitale media en boeken allerhande overspoelen de markt. Het is in Oostende zo, maar elders evenzeer. Het is zo op microniveau, maar ook op macroniveau. Het is zo bij amateurs, maar ook bij professionele historici.
‘Geschiedenis’ heeft niet alleen waarde; ‘geschiedenis’ is ook weerloos. Ze laat zich bestuderen op de meest uiteenlopende wijzen: kwaliteitsvol mogen we hopen; vaak middelmatig moeten we vaststellen. In brede trekken geborsteld voor een groot publiek of in kleine detailstudies die stapjes tot het inzicht bijbrengen. Bij gerenommeerde uitgevers of bij weinig of slecht gekende verdelers. Bij tijdschriften die kwaliteitseisen stellen en de ingezonden stukken laten nalezen door experts of bij tijdschriften die – meestal goed bedoeld en vaak uit noodzaak – alles opnemen wat hen wordt aangeboden. Geschiedenis wordt dus goed bedreven en slecht bedreven. Geschiedenis wordt vaak beoefend en soms verwaarloosd. Dit alles is met geschiedenis mogelijk. ‘Geschiedenis’ is immers – op het eerste niveau althans – gemakkelijk toegankelijk en laat allen met belangstelling toe haar te bedrijven. Emancipatorisch is dit een groot goed: het verhoogt bij velen het inzicht en de kennis. Het impliceert ook een groot risico: de slechte of middelmatige geschiedenis vindt ook verspreiding en lezers en wie onderscheidt het kaf van het koren?
Is dit alles te remediëren? Kunnen we de geschiedenis – en meer bepaald die van Oostende – op een kwalitatief hoger peil brengen? Kunnen we de kwaliteit verbeteren en toch een ruime schare beoefenaars en een nog ruimere schare lezers er kennis van laten nemen op een manier dat het hen voldoening schenkt? Een pasklaar antwoord is niet eenvoudig te formuleren, maar een aantal vragen kunnen in elk geval het debat over waarde en weerloosheid aanscherpen.

Geschiedenis moet toegankelijk blijven. Een ruime verspreiding van de productie is dus aangewezen. Er wordt soms geklaagd over het gebrek aan belangstelling voor geschiedenis in en over Oostende. Ik deel dit pessimisme niet. Maar ik stel wel vast dat de aanpak erg verspreid en versnipperd is en dat werkt nooit kwaliteit bevorderend. Verregaande samenwerking tussen nu losstaande initiatieven is voor mij essentieel. Of op zijn minst mogen afspraken over taakverdeling geen utopie blijven. Ik zie dat zelfs de gerenommeerde Brugse en Gentse kringen de handen in elkaar hebben geslagen voor wat betreft de publicatie van hun monografieën. Hoe lang kan men in Oostende dan nog verder doen zonder over samenwerking te spreken? De vergrijzing doet zich ook hier voor, zowel bij auteurs als bij abonnees.
Geschiedenis moet toegankelijk blijven. Een voldoende dekkingsgraad is dus aangewezen en het hele verleden verdient dus te worden bestudeerd. Ik stel vast dat grote delen van het Oostendse verleden onbesproken blijven. De klassieke toppers in het Oostendse historische milieu zijn: het beleg van Oostende, de Oostendse Compagnie, de Koninklijke familie, het toerisme en de visserij. Volkomen terecht uiteraard. Maar waar blijven gedegen bijdragen over urbanisatie, over partijvorming en politieke geschiedenis, over de landbouw in de rurale gebieden die nu tot Oostende behoren, over het politieke bewustzijn in het Ancien Régime, over de levensstandaard in de zeventiende eeuw, over de verhouding tussen collaboratie en verzet in de periode van de Franse Republiek, het Napoleontische keizerrijk, de Nederlandse periode, over de middenstand en de vakbonden, over de vele aspecten van de geschiedenis van de diverse religies, filosofische en ideologische stromingen? De omschrijving van het onontgonnen gebied is lang en gevarieerd.

Geschiedenis moet toegankelijk blijven, ook voor de actieve beoefenaars. Maar zijn die altijd tevreden over de gepresteerde arbeid en over de verspreiding ervan? Ik stel vast dat er haast geen artikels verschijnen op basis van masterthesissen die aan de Vlaamse universiteiten worden geproduceerd. Maar bieden de geëigende kanalen wel voldoening voor diegenen die lang aan een dergelijk werk hebben gewerkt? De klassieke kanalen zijn niet geschikt voor artikels van 20-30 bladzijden of meer. Wat we nu aan kanalen hebben, hebben door hun opzet en frequentie meer de aard van een nieuwsbrief en bieden alleen ruimte voor kortere artikels. Maar waar kunnen we terecht voor artikels, die te lang zijn voor de bestaande tijdschriften en die tekort zijn om als monografie te worden gepubliceerd?
Geschiedenis moet dus toegankelijk en moet boeiend blijven, zowel voor de producent als voor de consument. Dit kan alleen door beter te werk te gaan, door meer onderwerpen aan te snijden, door betere publicatiemogelijkheden aan te bieden, door meer samen te werken. Ik hoor u zuchten: dit is niet mogelijk en niet haalbaar. Maar het kan in andere steden wel! Ik verwijs naar de bijzonder vruchtbare aanpak van het huizenonderzoek in Brugge en Gent. Ik verwijs naar het verzamelwerk over Antwerpen onder de titel ‘Biografie van een stad’. Door goede afspraken is dit hier en op onze schaal zeker doenbaar.

Er is dus nog veel werk aan de winkel. We moeten ook realistisch zijn en niet denken dat we morgen in een andere wereld wakker zullen worden. Maar er kunnen stapjes in de goede richting worden gezet. Als we goed voor ogen blijven houden dat geschiedenis in haar beide betekenissen haar waarde moet behouden, dan kunnen die stapjes bijdragen tot meer voldoening voor velen. Door mijn werkzaamheden in Gent ben ik een halve buitenstaander in dit gebeuren. Maar ik roep alle betrokkenen op om zich over dit alles te bezinnen: auteurs die met een of ander aspect van de Oostendse geschiedenis bezig zijn, kringen die zich erop beroepen het verleden van de stad onder de aandacht te brengen, financierende overheden die voor de levensnoodzakelijke steun zorgen, maar ook potentiële private sponsors voor wie een ruim lezerspubliek probleemloos bereikt kan worden. Wanneer al dezen de handen in elkaar slaan, dan kunnen we bij de voorstelling van een van de volgende afleveringen van de Bibliografie van de Geschiedenis van Oostende niet alleen het vers van Lucebert citeren, maar ook dat van Henriëtte Roland Holst die schreef: ‘de zachte krachten zullen zeker winnen in ’t eind’.
Ik dank u

Luc François
Oostende, 9 februari 2013